Jo Willems (Langenboom, 1954)

 

Jo ontdekt zijn passie voor schilderen al op zeer jonge leeftijd, nog voor de tijd dat hij besluit een opleiding aan de schilderschool te volgen. De tijd dat Jo het beroep van huisschilder combineert met zijn kunstenaarsschap duurt echter relatief kort. De gang naar de kunstacademie te Arnhem is begin jaren tachtig onvermijdelijk.

 

 

De jaren op de academie brengen niet wat de kunstenaar ervan verwacht. Jo weet na tal van reeds gehouden exposities exact in welke richting hij zichzelf wil ontwikkelen en vindt de druk om zich te nadrukkelijk te moeten wijden aan conceptuele kunst onnodige ballast.

Het is in zekere zin goed dat Jo destijds standvastig is gebleven. Ruim twintig jaar, dag in dag uit, bezig zijn met zijn vak heeft ervoor gezorgd dat we vandaag de dag kunnen genieten van één van de betere fijnschilders.

 

 

Een blik op recent werk van Jo doet in eerste instantie denken aan dat van een aantal surrealistische voorgangers. Voorstellingen in diens schilderijen zetten de kijker snel aan tot een absurdistische kijk op de wereld en gebruik van steeds terugkerende voorwerpen roepen qua samenhang meteen vragen op.

Een nadere beschouwing laat echter zien dat niet alleen surrealistische invloeden aan de bakermat van Jo's schilderijen staan. Jo hecht zichtbaar veel waarde aan goniometrische aspecten, waardoor een associatie met magisch realistische schilders ook voor de hand licht. Fel kleurgebruik tenslotte doet al snel denken aan een palet dat de meeste stillevenschilders hanteren.

 

 

Jo gaat uiterst gedetailleerd te werk. Enkele doeken zijn opgebouwd uit meerdere lagen. De kleuren mengt hij zelf uit de drie zuiverste primaire en wit. Hij wil met een bepaalde kleur meteen het gewenste resultaat. De kleinste maat penselen garanderen een weergave die uiterst precies is.

Ten aanzien van onderwerpen die worden geschilderd laat Jo zich leiden door een ondefinieerbaar gevoel. Een optimistische levenshouding laat in ieder geval geen zwaar beladen scènes toe, hooguit antropomorfische gedaanten die in het midden laten hoe het sfeerbeeld dient te worden geïnterpreteerd.